Info

'Europees ho-stelsel is onduidelijker geworden'

— gearchiveerd onder:
Share |

Het Bolognaproces dreigt zijn doel voorbij te schieten. Terwijl de harmonisering van de Europese hogeronderwijsstelsels de Bolognalanden onder meer aantrekkelijker moest maken voor talent van buiten, raakt de groep vooralsnog alleen maar meer naar binnen gekeerd, constateert Pierre de Maret. De rector van de Brusselse Université Libre doet concrete voorstellen om het tij te keren.

Pierre de Maret oordeelt hard over de voortgang van het Bolognaproces. “Alle energie die is besteed aan het wegstrijken van onze onderlinge verschillen, heeft ons naar binnen gekeerd. We dreigen daardoor kansen te missen voor meer samenwerking met niet-Europese landen.”

De Maret weet waarover hij praat. De rector van de Université Libre de Bruxelles is sinds vorig jaar lid van het bestuur van de European University Association (EUA). Deze vereniging werd opgericht in 2001, toen het Bolognaproces – de harmonisering van de Europese hogeronderwijsstelsels – net goed op stoom kwam. Vanaf de oprichting heeft de EUA hoge prioriteit toegekend aan ‘Bologna’, dat het Europese hoger onderwijs aantrekkelijker moest maken voor talent van binnen en buiten Europa, en competitiever in wereldverband.

Behalve voor de interne afstemming van het Bolognaproces, heeft de EUA tot nu toe vooral aandacht gehad voor zaken als de financiering van universiteiten, kwaliteitszorg, regionale samenwerking en samenwerking tussen onderzoek en industrie. Vorig jaar besloot het bestuur om ook beleid te ontwikkelen dat de aantrekkelijkheid van het Europese hoger onderwijs in de rest van de wereld moet benadrukken en relaties buiten Europa moet helpen versterken. Als leider van een universiteit met een lange traditie van internationale oriëntatie, vooral in ontwikkelingslanden, kreeg De Maret het verzoek om een opzet voor zo’n beleid te maken. Transfer sprak de Belgische rector naar aanleiding van dat concept. 

Alleen maar onduidelijker
Het doel van het Bolognaproces is uitstekend, benadrukt De Maret in zijn Brusselse werkkamer. “Maar het proces zelf is een wirwar geworden, beladen met jargon. Zo’n beetje elke verandering die de laatste jaren heeft plaatsgevonden, is onder ‘Bologna’ geschoven. Het is bovendien een excuus geweest voor overheden om meer in het hoger onderwijs in te grijpen dan ze daarvoor deden. Zozeer dat universiteiten in sommige landen, zoals België en Spanje, aan autonomie hebben ingeboet. In andere landen, Duitsland en Frankrijk bijvoorbeeld, zijn ze er in ieder geval niet op vooruit gegaan.

Collega’s in onze eigen instellingen hebben vaak moeite om de veranderingen te overzien en uit te leggen aan studenten. Zeker voor niet-Europese partners is het alleen maar ónduidelijker geworden hoe het stelsel er volgens Bologna moet uitzien.” De Academic Cooperation Association (ACA) kaartte dit probleem drie jaar geleden ook al aan, maar verder is hier nog geen aandacht aan besteed.

Joint-degrees
Intussen heeft ‘Bologna’ wel verwachtingen gewekt in andere delen van de wereld, waarschuwt De Maret. “Bijvoorbeeld ten aanzien van meer uitwisseling en samenwerking op het gebied van joint degrees. De EUA en afzonderlijke universiteiten krijgen daarover veel vragen uit landen in Latijns-Amerika, Azië en Franstalige landen in Afrika. Daar realiseert men zich dat studenten die voor een diploma naar Europa willen, hier niet meer op dezelfde manier als vroeger in het systeem passen.”
Landen in Noordwest-Afrika en onder meer Senegal, Kameroen en Burkina Faso staan zelf op het punt om veranderingen aan te brengen in de hogeronderwijsstructuur. Men is daar op zijn minst geïnteresseerd in Bologna als model voor regionale integratie van kwalificatiestructuren. Congo en Rwanda willen ‘onze’ bachelor-masterstructuur en de kwaliteitszorg die daarbij hoort misschien wel adopteren. De Maret: “Rectoren die ik ontmoet uit Zuid-Amerika en sommige Aziatische landen, zeggen ‘alsjeblieft, doe iets om ons erbij te betrekken’. Zij willen liever naar Europa dan naar de Verenigde Staten, want ze houden niet van de Amerikaanse dominantie.”

Nederland is goed voorbeeld
Voor Europa is het van cruciaal belang, schrijft De Maret in zijn conceptnotitie, als niet alleen de bachelor- en mastergraden wijd en zijd worden erkend, maar als ook zoveel mogelijk landen in Latijns-Amerika, Afrika, het Midden-Oosten en delen van Azië bij hun eigen hervormingen een structuur aannemen die zo veel mogelijk lijkt op de Europese. Dat geeft Europa het beoogde wereldwijde voordeel in termen van begrijpelijkheid en aantrekkelijkheid. Daarom moet de EUA, samen met de Europese Commissie en andere organisaties, buiten Europa beter uitleggen waar het in het Bolognaproces om gaat. “Want als we nú niet aan de vraag daarnaar voldoen, kiezen die landen toch voor het Amerikaanse model.”

De Maret stelt een aantal concrete taken voor. De Europese kwalificatiestructuur en het model voor regionale harmonisering dat ‘Bologna’ is, moeten worden gepromoot in het kader van UNESCO. Beleidsmakers, managers, studenten en wetenschappers in andere delen van de wereld moeten van gerichte informatie worden voorzien: hoe ver zijn we met Bologna, hoe passen studenten en staf van buiten in het systeem. De Nederlandse universiteiten zijn volgens de rector een goed voorbeeld van wat communicatie gericht op de internationale markt oplevert aan zichtbaarheid en kwaliteit: ze scoren hoog in internationale rankings.

De EUA moet de Europese Commissie en overheden duidelijk maken wat er nodig is voor de juiste informatie. Intussen hebben universiteiten geen andere keus dan mee te doen in de wereldwijde competitie om toponderzoekers en topstudenten. De EUA wil universiteiten adviseren als die competitie en marktgerichtheid botst met oudere academische waarden. Zij kan ook praktische diensten verlenen: zo kan ze helpen om selectieprocedures te organiseren in landen waar veel niet-Europese studenten vandaan komen.

Solidariteit met Afrika
Tegelijkertijd wil De Maret dat Europa ervoor waakt om studenten te gaan behandelen als melkkoeien. “Dat zou het imago schaden dat ons juist mede aantrekkelijk maakt, van samenwerking, solidariteit en zorg voor culturele diversiteit. We delen met arme landen de verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling van hun hogeronderwijssysteem.” Waarom? “Omdat onderwijs per definitie het delen van ervaring is. En anders wel omdat de stroom van migranten naar Europa blijft toenemen als we niet helpen om het onderwijs in de landen van herkomst te verbeteren.”

De Maret vindt het in dit kader vooral belangrijk dat er met landen in Afrika wordt samengewerkt. “Europese uitwisselingsprogramma’s zouden daar meer ruimte voor moeten bieden. Uit solidariteit, maar ook omdat ik niet inzie waarom al het toptalent uit de hele wereld, ook uit Afrika, naar de VS zou moeten gaan. En dan ook nog eens, meestal, met geld dat hun eigen land beschikbaar stelt. Hoger onderwijs is nu eenmaal een marktproduct geworden dat de economie van ‘exporterende’ landen veel oplevert. In Europa blijven we gehecht aan onderwijs als publiek goed, maar we moeten toch meedoen op die markt.”

Die balans tussen solidariteit en marktgerichtheid bespreekt het bestuur van de EUA in de komende maanden. Het onderwerp staat ook centraal op de EUA-conventie in 2007, met als titel Responsability in a global environment.

Lobbyclub met ambitieuze missie

De European University Association (EUA) is opgericht in 2001, door samenvoeging van de Association of European Universities en de Confederation of European Union Rectors’ Conferences.

De EUA heeft als missie om een sterke vertegenwoordiger van de Europese universiteiten te zijn en ervoor te zorgen dat deze ten volle betrokken zijn bij de ontwikkeling van de culturele en sociale dimensie van Europa, en van haar potentieel tot innovatie en economische groei.
Dat doet de EUA onder meer door bijdragen te leveren aan beleidsdebatten en via de publicatie van trend studies en good practices. Verder lobbyt zij op Europees niveau voor gezamenlijk universiteitsbeleid en op internationaal niveau voor zichtbaarheid van het Europese hoger onderwijs.

Van de EUA zijn achthonderd Europese universiteiten lid, waaronder alle Nederlandse. Een voorwaarde voor lidmaatschap is dat een instelling ten minste vijf wetenschappelijke promoties per jaar telt. Hogescholen zijn dus geen lid van de EUA. De HBO-raad is wel geassocieerd lid.

auteur: Dorrit van Dalen
(eerder verschenen in Transfer, juli 2006)