Laatste Bologna-loodjes wegen zwaar
- 21-05-2008
- geef reactie
Al jaren werkt Europa aan een zo transparant mogelijk onderwijssysteem, dat de mobiliteit van studenten en wetenschappers moet vergroten. Sluitstuk van het Bologna-proces is het nationaal kwalificatieraamwerk. In 2010 moet dat klaar zijn. Vooralsnog wordt er op de instellingen behoorlijk mee geworsteld.
Optimaal transparant. Dat is het sleutelwoord in het Bologna-proces. In 2010 moet er een Europese hogeronderwijsruimte zijn waarin onderwijssystemen beter vergelijkbaar zijn. Dat vergemakkelijkt de internationale uitwisseling van studenten en wetenschappers. Een van de eerste stappen in dit proces was de ontwikkeling van het European Credit Transfer and Accumulation System (ECTS). Daarna volgden de invoering van het bachelor-masterstelsel en het Diploma Supplement. Hogescholen en universiteiten moeten nu aan de slag met het nationaal kwalificatieraamwerk. “Het is het laatste stadium in het vervolmaken van het Bologna-proces”, stelt Robert Wagenaar, voorzitter van het Nederlandse team van Bologna-experts en verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen. “Het is het deksel op de bus.”
Op de Bologna-conferentie in het Noorse Bergen, in 2005, hebben de onderwijsministers afgesproken dat elk land een nationaal raamwerk ontwikkelt voor het hoger onderwijs. Dat moet in 2010 klaar zijn. Het nationale raamwerk moet vervolgens passen in een Europees raamwerk. Het Nederlandse raamwerk bestaat uit de graden bachelor, master en doctor. Het eindniveau per cyclus wordt beschreven aan de hand van de zogeheten Dublin-descriptoren. Met behulp van deze algemene beschrijvingen wordt aangegeven over welke kennis, inzichten en vaardigheden een afgestudeerde moet beschikken om een graad te ontvangen.
Onderscheid in oriëntatie
Het grote voordeel van het raamwerk is volgens Wagenaar dat het veel duidelijker wordt wat een afgestudeerde of student in huis heeft. Dat bevordert een optimale doorstroming naar een andere opleiding. En het kan tijd besparen voor degenen die een nieuw diploma willen halen. Want de bachelor-masterstructuur heeft nog niet de beoogde transparantie opgeleverd. Als voorbeeld noemt Wagenaar Ierland. “Daar heb je twee typen bacheloropleidingen: een van drie en een van vier jaar. Met de korte bacheloropleiding kun je niet doorstromen naar de master. Voor een buitenstaander is dat nu niet duidelijk. Maar door in het raamwerk te beschrijven wat een student na die drie jaar kan en weet, wordt dat expliciet gemaakt."
Ook het Nederlandse hoger onderwijs kent twee typen bacheloropleidingen. Beide worden gedefinieerd als bachelor omdat ze hetzelfde algemene eindniveau hebben. Om duidelijk te maken waarin deze twee soorten opleidingen van elkaar verschillen, wordt in het Nederlandse raamwerk een onderscheid gemaakt in oriëntatie. Het hbo leidt op tot een beroep, het wetenschappelijk onderwijs tot een academische oriëntatie in een bepaald vakgebied. Het verschil in oriëntatie brengt met zich mee dat hbo’ers in het overgrote deel van de gevallen niet rechtstreeks worden toegelaten tot een wetenschappelijke master.
“Voorheen werd het onderwijs beschreven in vaktitels en richtten we ons vooral op de inhoud", legt de Bologna-deskundige uit. "We keken heel formeel: u heeft drie jaar hoger onderwijs genoten. Maar het gaat niet alleen om de kennis die de student opdoet, maar ook om hoe die kennis wordt toegepast en welke vaardigheden de student zich eigen heeft gemaakt. Dat betekent dat van alle vakken de verworven competenties en leeruitkomsten moeten worden beschreven. Je moet dan denken vanuit de student, wat hij moet weten en kunnen, en niet vanuit de kennis die de docent wil overdragen. Docenten zijn gewend baas in eigen winkel te zijn. Nu moeten ze met elkaar aan de slag om cursussen en programma’s op deze manier in te vullen en te beschrijven. Dat is een ander paradigma.”
Geen extra last
Het onderwijsveld hikt nogal tegen die klus aan, zo bleek op een bijeenkomst die begin dit jaar aan het nationaal raamwerk was gewijd. Wagenaar begrijpt dat het hoger onderwijs niet zit te wachten op extra werk. Maar dit is geen extra last, betoogt hij. “Het lijkt misschien of dit iets nieuws is waarmee het onderwijs wordt opgezadeld, maar het accreditatiekader van de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO) vereist een beschrijving van het onderwijs aan de hand van competenties en leeruitkomsten. Het gaat dus om het formaliseren van bestaande afspraken.”
Ook het al eerder ingevoerde Diploma Supplement moest niet alleen uit basisinformatie over student en opleiding en zijn of haar resultaten bestaan. Ook de verworven competenties en leeruitkomsten zouden moeten worden aangegeven. Maar dat is nog niet echt uit de verf gekomen. Wagenaar: “We hebben dat anderhalf jaar geleden geëvalueerd. En de uitvoering ervan blijkt minimaal te zijn. Het leidt niet tot meer duidelijkheid, terwijl het de student en werkgever juist moet helpen.” Door het onderwijs te beschrijven in termen van leeruitkomsten, moet ook het Diploma Supplement beter tot zijn recht komen.
Op de bijeenkomst begin dit jaar bleek dat veel opleidingen behoefte hebben aan een handleiding voor het vertalen van de Dublin-descriptoren naar het eigen vakgebied. Veel medewerkers kwaliteitszorg worstelen nu met het beschrijven van leeruitkomsten en het opstellen van een profiel. En de deadline nadert: uiterlijk in 2010 moeten alle onderwijsprogramma’s beschreven zijn in de termen van het nationaal kwalificatieraamwerk.
Wagenaar denkt dat wellicht de VSNU en de HBO-raad de regie op zich zouden moeten nemen. “De mate waarin instellingen ermee bezig zijn, verschilt nu nogal. De colleges van bestuur hebben zich aan het nationaal raamwerk gecommitteerd. Het wordt nu van bovenaf opgelegd. Maar eigenlijk zou het zo moeten zijn dat docenten dit proces in gang zetten, omdat zij het belang inzien van onderwijsprogramma’s waarin alles expliciet wordt gemaakt.”
auteur: Els Heuts
(eerder verschenen in Transfer, mei 2008)
- 21-05-2008
- geef reactie
