Info

Column door Sander van den Eijnden: Een motregen van geld

— gearchiveerd onder:
Share |

Het is voor gewone mensen moeilijk voor te stellen hoe bestuurders denken. Heel moeilijk. Wat gebeurt er toch in al die bovenkamers? If anything, hoor je soms, maar dat is natuurlijk onzin. Omdat ik zelf ook een soort bestuurder ben, weet ik dat van binnenuit. Toch kan ook ik mij moeilijk voorstellen wat de voorzitters van de Nederlandse universiteiten en hogescholen dachten toen ze afgelopen zomer een brief van Rutte over de kennisbeurzen ontvingen.

Was de voorzitter van Christelijke Hogeschool De Driestar blij met de 2000 euro die hem werd toegezegd? Was de voorzitter van de Avans Hogeschool nog blijer met zijn 38 duizend euro? Wat vond de voorzitter van de Radboud Universiteit van het bedrag van 175 duizend euro, nog net geen tientje per student?

Met dat geld mogen de universiteiten en hogescholen veel doen. Hun internationaliseringbeleid versterken en hun profiel beter uitgedragen. Er kunnen van dat geld beurzen worden betaald, studenten worden geworven, er kan huisvesting van worden gerealiseerd, er kan ook ondersteuning in het algemeen van worden geboden. Het kan niet op, lijkt het. Daarom staat er in de brief dat de instellingen ook eigen middelen mogen bijleggen.

De bedoeling van het geld is er talentvolle, goede studenten mee aantrekken, die een meerwaarde hebben voor ons land. Studenten uit de markt- en innovatielanden, maar ook uit de Bologna-landen buiten de EER. Verder moet de armoede in de ontwikkelingslanden duurzaam worden bestreden. Om te zien of dat allemaal een beetje lukt, komt er in 2011 een evaluatie en in 2016 nog een. De 59 betrokken instellingen zullen dan tegen het licht worden gehouden. Als blijkt dat ze er niks van bakken, lopen ze volgens de brief de kans een deel van het geld in te moeten leveren. Dan ben je zomaar de helft van je 38 duizend euro kwijt.

Ik vind het dus moeilijk om me voor te stellen wat die voorzitters dachten. Dachten ze vermoeid aan al het werk en het gelazer dat dit binnen hun instelling zal geven? Of dachten ze: laat maar waaien, in 2016 zijn we weer zeven staatssecretarissen verder?

Misschien denkt u nu dat u mij doorheeft. U denkt: deze man is de baas van de Nuffic; die had dat geld natuurlijk voor zichzelf willen hebben. U denkt: zie je wel, bestuurders denken alleen maar aan zichzelf.

Maar dat is niet waar. Gelooft u mij. Onder deze condities zou ik geen 38 duizend euro willen krijgen. Dat is een motregen van geld onder een slagregen van doelstellingen. Zo word het niet veel met ons, net als met die marktlanden, innovatielanden, ontwikkelingslanden en niet-EER Bologna-landen. We zouden samen moeten optrekken, dacht ik toen ik die brief las. Zouden de voorzitters dat nou ook denken?

auteur: Sander van den Eijnden
(eerder verschenen in Transfer, oktober 2006)