Info

'Risico van A- en B-merken door verengelsing'

— gearchiveerd onder:
Share |

De verengelsing van het hoger onderwijs brengt het gevaar met zich mee dat er een onacceptabele tweedeling ontstaat tussen 'A- en B-merken': Engelstalige opleidingen enerzijds en die in het Nederlands anderzijds. Dat schrijft de Onderwijsraad in 'De stand van educatief Nederland 2009'.

Nederland biedt, afgezien van de Engelstalige landen, het meeste onderwijs in het Engels aan. Meer dan de helft van de masteropleidingen wordt al in die taal gegeven. De Onderwijsraad begrijpt dat dit de drempel voor buitenlandse studenten mogelijk verlaagt, maar plaatst ook twee kanttekeningen bij deze ontwikkeling.

Eén van de wettelijke taken van universiteiten en hogescholen is zich te richten op de bevordering van de uitdrukkingsvaardigheid in het Nederlands, stelt de Onderwijsraad, die zich afvraagt hoe de verengelsing zich daarmee verhoudt. Daarnaast ziet het adviesorgaan dus het gevaar van A- en B-merken. Daarmee wordt in eerste instantie de beeldvorming bedoeld, verduidelijkt de Onderwijsraad desgevraagd. “Maar die kan leiden tot zodanig veel aandacht voor Engelstalige opleidingen, dat de Nederlandstalige opleidingen ook daadwerkelijk minder van kwaliteit worden.” Eerder toonde de Onderwijsraad zich wel positief over de verengelsing. “De ontwikkeling moet alleen niet doorslaan.”

Met betrekking tot internationalisering signaleert de Onderwijsraad ook dat Nederland een netto-exporteur van hoger onderwijs is. In 2005 stonden er  hier 17.500 studenten uit andere EU-landen ingeschreven, terwijl er 10.500 Nederlanders daar studeerden. Op zich goed nieuws, vindt de Onderwijsraad. Maar de buitenlandse studenten betalen slechts een klein deel van de rekening. De Nederlandse overheid dekt het grootste deel van hun opleidingskosten - en die van de Nederlanders. Dit kan veranderen door verhoging van de collegegelden, voegt de Onderwijsraad toe. Dat moet dan wel geleidelijk gebeuren en vooral in de masterfase.

De Onderwijsraad vindt een ruimere financiële bijdrage van deelnemers aan het hoger onderwijs sowieso goed verdedigbaar. Daarnaast doet het adviesorgaan de aanbeveling om te kijken hoe publieke financiering kan worden ingezet om private bijdragen te genereren, bijvoorbeeld door het verstrekken van leningen en het stimuleren van door het bedrijfsleven gefinancierde beurzen. Want er is meer geld nodig wil Nederland zijn ambities om tot de Europese top te behoren echt waarmaken, concludeert de Onderwijsraad.

 Stand van educatief Nederland 2009