Info

Van Bijsterveldt bezorgd over mobiliteit studenten

Share |

Minister Van Bijsterveldt van Onderwijs maakt zich zorgen over de stagnerende studentenmobiliteit. Dat schrijft ze in reactie op vragen van de Tweede Kamer over onder meer de Internationaliseringsmonitor 2009. Nader onderzoek is gewenst, vindt de minister.

Uit het onderzoek zou moeten blijken of er belemmeringen zijn om naar het buitenland te gaan, en zo ja, of daar iets aan kan en moet worden gedaan. Daarnaast streeft Van Bijsterveldt naar een analyse in de volgende Internationaliseringsmonitor van de opvallende daling in het wo en de aanzienlijke stijging in het hbo van het percentage studenten dat een deel van de opleiding in het buitenland volgde. De gemiddelde studiepuntmobiliteit voor het hele hoger onderwijs bleef gelijk, op 23 procent.

De minister is het grotendeels eens met de CDA-fractie, die stelt dat er nog een wereld te winnen is. Maar ze wijst in haar reactie ook op de toename van de uitgaande diplomamobiliteit. Het aantal Nederlandse studenten dat een volledige studie in het buitenland doet, groeit sneller dan het Europees gemiddelde, merkt Van Bijsterveldt op. Ze denkt dat dit vooral te maken heeft met het bachelor-mastersysteem in Europa, waardoor het makkelijker is een programma te vinden dat goed op de eerdere opleiding aansluit.

D66 informeerde bij de minister naar het mobiliteitsscorebord, waarop de Europese Commissie wil bijhouden hoe ver lidstaten zijn met het beperken van belemmeringen voor studeren in het buitenland. Heeft dat wel zin, als de landen daar geen verantwoording over hoeven af te leggen? Maar Van Bijsterveldt ziet het scorebord als een nuttig hulpmiddel dat parlementen kunnen gebruiken in het nationale debat. “Het is in elk geval niet aan ‘Brussel’ om lidstaten op basis hiervan tot de orde te roepen.”

Op de vraag wat zij vindt van het plan om een Europese studiefinancieringsfaciliteit op te zetten, antwoordt de minister benieuwd te zijn naar de haalbaarheidsstudie van de Europese Commissie. “Uitgangspunt is dat nationale studiefinancieringsfaciliteiten intact blijven en dat de Europese faciliteit daarop aanvullend is voor mobiliteit van studenten binnen Europa”, aldus Van Bijsterveldt. Het is volgens haar niet de bedoeling dat de lidstaten daar geld voor beschikbaar stellen.