"Plasterk, herzie meteen het onderzoeksstelsel"
- 17-09-2009
- vorige
- volgende
- retour overzicht
- geef reactie
Het belangrijkste nieuws voor het hoger onderwijs zit dit jaar niet in de begroting, maar in de toespraak van minister Plasterk in Enschede, vindt professor Joop Hartog. Plasterk stelt een onderzoek in naar alternatieven voor het binaire stelsel. Hoog tijd om ook meteen de onderzoeksfinanciering onder de loep te nemen, betoogt Hartog. "Laat de koppeling tussen onderzoek en onderwijs los."
De minister wil reflectie op het stelsel van hoger onderwijs en hij wil dat uitbesteden aan een kleine commissie van wijze mensen. Zijn argumenten lijken mij opportuun: er is een grote toeloop van studenten, toenemende diversiteit van de studentenpopulatie in achtergrond en wensen, en een afnemend aandeel van studies die voorbereiden op een wetenschappelijke loopbaan. Nadenken over stelselherziening is een voortreffelijk idee. De voordurende grensgeschillen tussen hbo en wo, met name op het gebied van onderzoek en promotierecht zijn ook een goed argument voor bezinning op een helder plan voor de langere termijn.
Maar ik zou de agenda willen uitbreiden. Ik denk dat er simultaan moet worden
nagedacht over het stelsel van onderzoeksfinanciering. Niet alleen omdat daar op zich al reden toe is, maar ook omdat de financiering van wetenschappelijk onderzoek direct verbonden is met de organisatie van het hoger onderwijs. Een universitaire medewerker besteedt grosso modo zijn tijd voor de ene helft aan onderwijs en voor de andere helft aan onderzoek.
Op zich zelf genomen betekent dit dat allocatie van onderzoeksmiddelen wordt gestuurd door studenten. Een universiteit krijgt middelen toegewezen naar rato van het aantal instromende studenten, en in de toewijzing van onderwijsmiddelen zit een opslag voor onderzoek. Daarmee doe je dus afstand van zelfstandig onderzoeksbeleid. Daar komt nog bij dat de financiering van de universiteiten verre van doorzichtig is. Bij die verdeling van middelen spelen ‘historische sleutels’ een belangrijke rol. Er wordt niet gelet op de kwaliteit van de geleverde onderzoeksprestaties (zoals in Engeland) en er wordt geen gericht beleid gevoerd.
Ik zou beginnen met nadenken over een gewenst onderzoeksprofiel. In welk onderzoek willen we als maatschappij investeren? Volgens Beethoven bieden alleen wetenschap en kunst aan de mens de mogelijkheid om zich te verheffen tot het niveau van de goden. De politiek moet aangeven in welke soorten cultuur en wetenschap we moeten investeren, welk deel van onderzoeksgeld op “nuttige” onderwerpen moet worden gericht (een medicijn tegen kanker, sneller internet, optimale financiele prikkels voor bankiers) en welk deel op cultuur (Italiaanse letterkunde, de betekenis van de West Indische Compagnie voor de Amerikaanse cultuur).
Vervolgens moet je er voor zorgen dat het onderzoek zo goed mogelijk wordt uitgevoerd. Ik zou dat doen door onderzoeksgeld veel meer naar merites te verdelen. Een goed middel daarbij is het loslaten van de vaste koppeling tussen onderwijs en onderzoek. Onderzoekstijd moet dan door medewerkers apart worden verworven, hetzij door mee te doen in competitie voor onderzoeksmiddelen, hetzij door een aanstelling te verwerven bij een onderzoeksinstituut. In het eerste geval moet de individuele onderzoeker steeds onderzoeksvoorstellen schrijven, in het tweede geval is het instituut steeds in de slag om de middelen. Een aanstelling aan een instelling van hoger onderwijs is dan primair een onderwijsaanstelling, met een beperkte opslag voor onderzoek en in het algemeen niet voor de volle werktijd.
De opslag kan variëren naar type instelling, die kan hoger zijn aan een universiteit dan aan de community colleges waar de minister over sprak (voor tweejarige beroepsgerichte opleidingen). Zo’n structuur zou recht doen aan het nu al bestaande onderscheid tussen onderzoeksinstituten en onderwijsinstituten dat bij een vorige hervorming aan de universiteiten werd opgelegd en dat buiten de bèta faculteiten een loze administratieve huls is.
Afzonderlijke financiering van beide instituten zal de helderheid bevorderen en de beleidsruimte vergroten. Financiering van onderzoek uit een separate stroom van onderzoeksmiddelen die naar merites worden verdeeld, zal de kwaliteit bevorderen. Door alleen op onderzoekskwaliteit te letten, en niet op affiliatie van de aanvrager, kunnen hbo docenten net zo goed meedingen naar onderzoekmiddelen als universitaire docenten. Het stelsel geeft zichzelf dan zelf vorm.
Prof. dr. Joop Hartog
hoogleraar Micro-economie, verbonden aan de Faculteit der Economische Wetenschappen en Econometrie van de Universiteit van Amsterdam.
Reageren? Mail naar redactie@transfermagazine.nl
- 17-09-2009
- vorige
- volgende
- retour overzicht
- geef reactie
