'WRR-rapport moet niet eenzijdig worden geïnterpreteerd'
- 25-01-2010
- vorige
- volgende
- retour overzicht
- geef reactie
Het recente WRR-rapport over de toekomst van ontwikkelingssamenwerking is een uitstekende basis voor debat, vindt Jos Walenkamp, lector internationale samenwerking aan de Haagse Hogeschool. "De Nuffic en de hogeronderwijsinstellingen die willen bijdragen aan structurele capaciteitsopbouw kunnen hier hun voordeel mee doen."
Minder pretentie, meer ambitie: ontwikkelingshulp die verschil maakt. Onder die titel presenteerde de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) op 18 januari het rapport over ontwikkelingssamenwerking. Het is een vervolg op de verkenning die de WRR vorig jaar uitbracht.
De titel is meteen veelzeggend: de raad is niet bang om hulp hulp te noemen en pretenties aan de kaak te stellen. Ook inhoudelijk is het rapport een uitstekende basis voor debat. "Het belang van goede ontwikkelingshulp is de laatste jaren alleen maar toegenomen. Naast een morele opdracht is het ook steeds duidelijker een vorm van welbegrepen eigenbelang", beargumenteert de WRR. Maar de raad vindt ook dat de 0,7 procent van het nationale inkomen die aan hulp wordt uitgegeven, gerelativeerd moet kunnen worden.
Bezuinigingen
Zoals elk genuanceerd verhaal kan ook dit rapport door voor- en tegenstanders van hulp ten eigen bate worden geïnterpreteerd. Het is te hopen dat dat in deze tijd van bezuinigingen niet leidt tot het loslaten van de 0,7 procent van het BNP, zonder dat andere aanbevelingen eveneens worden opgevolgd. Weldenkende mensen in de politiek en de maatschappij zouden daar tegenwicht aan moeten bieden.
Het rapport beveelt aan om de hulp aan gezondheidszorg en (basis)on
derwijs te verminderen ten gunste van infrastructuur, landbouw en economische bedrijvigheid. Maar het benadrukt ook dat hulp professioneel moet worden gegeven en vorm dient te krijgen als een lerend systeem. Dat impliceert investeren in kennis en het verbeteren van kennisinfrastructuren, hier in Nederland en in ontwikkelingslanden. Nederland doet dat te weinig.
Het is jammer dat het rapport niets zegt over de hogeronderwijsprogramma’s NICHE en NFP, die door de Nuffic worden beheerd. Wel wordt er gereflecteerd op de aard van onderwijs en stelt het rapport terecht de vraag of de huidige onderwijsmodellen wel leveren wat ze moeten leveren. Bijvoorbeeld: of zij mensen produceren die in staat zijn elders ontwikkelde kennis over te nemen, aan te passen en toe te passen in de samenleving.
Spijker op de kop
Het volgende citaat slaat de spijker op zijn kop: “Onderwijs kan tot ontwikkeling leiden als het aansluit bij wat een samenleving nodig heeft. Als ontwikkeling het doel is, dient er aandacht te zijn voor beroepsonderwijs en voor de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt en ligt ook meer accent op tertiair onderwijs in de rede.”
Dat is waarom minister Koenders in het nieuwe NICHE-programma meer aandacht wil voor hoger beroepsonderwijs. Dat is ook waarom de Nuffic en de Haagse Hogeschool een lectoraat Internationale Samenwerking hebben ingericht. Dat lectoraat doet onder meer onderzoek naar de wensen en behoeften van de arbeidsmarkt in een aantal ontwikkelingslanden en de mate waarin het tertiaire beroepsonderwijs daaraan tegemoet komt. De eerste signalen zijn niet gunstig. De arbeidsmarkt is ontevreden en veel instellingen zien ook wel dat er iets mis is met een onderwijzersopleiding waarvan de studenten nooit met een schoolklas in aanraking komen.
Een andere terechte constatering van de WRR die telkens in het rapport opduikt, is dat ontwikkelingsprogramma's maatwerk moeten bieden en dat er geen generieke oplossingen moeten worden gezocht voor specifieke problemen. Ook voor NICHE en andere programma's voor capaciteitsopbouw geldt dat interventies moeten worden afgestemd op de precieze factoren die ontwikkeling afremmen. Die f
actoren moeten dan eerst goed in kaart worden gebracht.
Diepgaande expertise
Een minder goed idee lijkt mij het voorstel van de WRR voor NL-AID, een aparte organisatie voor ontwikkelingshulp, naast de ambassades. De doelstellingen zijn sympathiek: zo'n aparte organisatie zou diepgaande expertise kunnen ontwikkelen van vakgebied én land, en zou de mogelijkheid bieden langdurige relaties te hebben met lokale actoren. Maar zulke relaties kunnen ook nu al worden gerealiseerd, en goedkoper bovendien, bijvoorbeeld door voor langere periodes (5-8 jaar) te werken met ervaren themadeskundigen. Samen met de diplomaten en andere deskundigen op de ambassade zouden de themadeskundigen ook meer recht doen aan de wens om coherentie en positieve synergie met andere beleidsthema’s (handel, bestuur, klimaat, milieu, veiligheid, financiële sector) handen en voeten te geven.
Het WRR-rapport is, kortom, een indrukwekkend document, waarmee ook de Nuffic en de hogeronderwijsinstellingen die willen bijdragen aan structurele capaciteitsopbouw, hun voordeel kunnen doen. Ik ben benieuwd waar de politieke besluitvorming over de conclusies en aanbevelingen toe leidt.
Jos Walenkamp
Lector Internationale Samenwerking aan de Haagse Hogeschool. Tot vorig jaar was hij directeur Kennis en Innovatie bij de Nuffic.
- 25-01-2010
- vorige
- volgende
- retour overzicht
- geef reactie
